Kleppermuziek

Datum: zaterdag 20 maart 2021

Op alle momenten van de dag kom je ze tegen: mensen met gezicht als een oorwurm die -alsof ze door een vreselijk noodlot worden achtervolgd- hartgrondig hun ongenoegen uiten over het slechte weer, hun nare buurman of de tram die maar niet wil komen. Mopperen is niet alleen voorbehouden aan Hollanders. Ook in Engeland heft men geen lofzang aan als de trein vlak voor iemands neus wegrijdt. Onlangs maakte ik kennis met een notoire mopperaar. Het was Charles Burney, een musicoloog uit Londen die in 1770 een reis door Europa maakte en daar een boek over schreef. Laten we dat voor de aardigheid eens openslaan:

Burney moet een gezaghebbend en een vermogend man zijn geweest die zich gemakkelijk kon verplaatsen in het milieu van wetenschappers en topmusici die destijds tot de bovenste laag van de samenleving behoorden. Hij beschrijft de muzikale praktijken aan het eind van de achttiende eeuw en vertelt over zijn ontmoetingen met de meest vooraanstaande musici uit zijn tijd. Het is heel interessant om nog eens iets te lezen over al die kunstenaars die voor ons in de schaduw gebleven zijn. Niet omdat ze weinig voorstelden maar omdat ze het slachtoffer werden van de zeef der tijd waardoorheen ieder viel die niet tot de genieën van zijn tijd behoorde, zoals Haydn en Mozart.

Het charmante van zijn beschrijvingen is dat hij niet al te veel moeite doet om zich genuanceerd uit te drukken. Zo heeft hij het ergens over een ‘zanger die een aria met zoveel geweld uitbraakt, dat het leek alsof hij met het mes op de keel om hulp riep'. Dat hij ook humor niet schuwt lezen we als hij het over twee landlopers heeft die alle mogelijke blaasinstrumenten op de rand van hun hoed imiteerden en ‘vervolgens het blaffende geroep van een priester zo mooi na-aapten', dat Burney er bang van werd.
Aan carillons heeft Burney een gloeiende hekel. Tot herhalens toe beklaagt hij zich over ‘deze kostbare machines die kleppermuziek veroorzaken' en ‘die stukjes laten horen die men tenminste een maand aframmelt'. Het is dan ook een regelrechte ramp voor de Brit als men hem in Amsterdam in een logement onderbrengt waar vanuit wel vier torens het geluid van' deze klapperbussen voor volwassen kinderen' de hele dag is te horen.

Het zou me benieuwen hoe Burney zou reageren als hij in deze tijd nog eens een bezoek aan Den Haag zou brengen. Het moet voor hem een schok zijn om te vernemen dat al zijn vrienden die destijds de hofkapel van de erfstadhouder vormden, niet meer vervangen zijn. Ook zal hij weinig te spreken zijn over het feit dat de hoofdkerk van onze stad inmiddels een soort horecagelegenheid is en dat de Nieuwe Kerk aan het Spui ook nauwelijks meer mee doet. Het enige wat nog onveranderd hangt te stralen is het carillon op de Haagse toren. Drie maal per week de vrolijke klanken van onze stadsbeiaardier. Dat moet ongetwijfeld wat veel zijn voor de gevoelige oren van onze mopperende chroniqeur uit Londen.

Laten we zijn boek daarom maar gauw weer dichtdoen.