Tsja...

Datum: zaterdag 09 januari 2016

De schrijver Simon Carmiggelt (1913-1987) heeft in Amsterdam zijn halve leven op straat en in het café doorgebracht. Al slenterend  en slempend  formuleerde hij terwijl zijn proza dat hij vervolgens inruilde tegen een vast salaris bij Het Parool. U en mij zou zoiets nooit lukken maar de kwaliteit van zijn schrijfsels was zodanig dat ze bij de krant maar al te graag zijn drinkgeld reserveerden op de begroting omdat zijn Kronkels tot de meest stabiele  onderdelen van de redactionele inventaris behoorden. De tientallen boekjes die naderhand uit Carmiggelts dagoogst werden samengesteld  zijn nog steeds terug te vinden in de boekenkast van hen die zijn geplooIde grijns nog herinneren. De populariteit van deze schrijver heeft natuurlijk van doen met zijn briljante beheersing van de Nederlandse taal - niemand kon de dingen zo mooi opschrijven als hij- maar ontegenzeggelijk ook met de levenswijsheid die uit zijn teksten droop. Zodra hij weer eens een heikel tafereel van de straat had geplukt of de oratie van een drankzuchtige grijsaard te boek had gesteld, onthield hij zich doorgaans van commentaar. Op de momenten dat zielzorgers of sociaal werkers waarschijnlijk een lange preek of een levensles zouden geven, nipte hij nog eens aan zijn kelkje en schreef slechts op: 'Tsja...'.  Ofschoon door het leven gelouterd, zelf door schade en schande wijs geworden, voelde hij zich niet bevoegd om met zijn rake pen meer te noteren dan dat éne woordje.  Aan moralisme waagde hij zich niet. Tsja...

Inmiddels is het alweer  vijftig jaar geleden dat we Carmiggelt zijn verhaaltjes hoorden voorlezen op de TV  en naar de  boekhandel renden om zijn laatste paperback aan te schaffen. Door de ogen van Carmiggelt zou de wereld  op dit moment nog niet zo veel veranderd zijn.  Zijn ruitjespapier en zijn leren mapjes zou hij  inmiddels wel hebben ingeruild voor een  Ipad en met roken zou hij waarschijnlijk ook wel gestopt zijn maar ik vrees dat Carmiggelts wijze waarop hij tegen het leven aankeek  nog onveranderd zou zijn.

Ieder jaar, zo omstreeks Kerst, voel ik me een beetje begluurd door de nagedachtenis van de door mij zeer bewonderde schrijver.  Ik vraag me dan af hoe zo'n erudiete geest  het afgelopen jaar naar mij gekeken zou hebben. Want net als de meesten doe ik mijn best om een goede burger te zijn, heb ik oog voor het wereldleed en scheid ik braaf ons huisvuil maar échte problematiek heb ik uit onmacht stelselmatig ontweken.  Ik zou wel willen maar onderscheid me immers niet van de velen die wél  een traan wegpinken  bij het horen van het nieuws maar desalniettemin nauwelijks in beweging  komen. Ik lees trouw de krant (sla ook veel  over), kijk dagelijks naar het Journaal  (dat ik soms nauwelijks snap) en zie geen kans vorm te geven aan mijn gevoel van mededogen waarom het scherm vraagt. Tsja..

Ik vraag me wel eens af of we dit onszelf niet allemaal aangedaan hebben.  Opa wist honderd jaar geleden immers amper wat er  een dorp verder gebeurde en hoe zalig was de tijd  dat de postbode de enige was die ons éénmaal per dag dwong om ons in onze mail  te verdiepen.  Mede door alle elektronica die ik in mijn broekzak meesjouw dreig ik te verzuipen in alle informatie die me belaagt.  Terwijl ik dit noteer zie ik de twinkeling al weer in de oogjes van Carmiggelt. Tsja...

Midden in deze verwarring zetten we ons éénmaal per jaar aan ons schrijfbureau. We sluiten de gordijnen, zoeken in een laatje naar  de lijst met onze vrienden en sturen hen een kaart met daarop de beste wensen. Eigenlijk wensen we hen èchte gerechtigheid en volmaakte vrede toe maar omdat we daarin nauwelijks durven geloven verpakken we het in sneeuw en kerstballen. Daarmee zijn deze wensen niet minder gemeend en ben ik er blij om dat ook dit jaar velen mij vanuit de grond van hun hart geluk én gezondheid hebben toegewenst. Ik wens u allemaal hetzelfde.