Archief

Datum: donderdag 01 oktober 2015

Ons huis telt een aantal kasten waarin keurig netjes in archiefdozen een belangrijk deel van ons papieren verleden bewaard wordt. Het is de weerslag van meer dan een halve eeuw behoudzucht. Van uit mijn jeugdtijd zijn helaas nogal wat zaken verloren gegaan maar naarmate ik meer volwassen werd groeide bij mij het verlangen om van dingen die mij belangrijk leken het één en ander te bewaren. Na vier verhuizingen, telkens naar bescheidener woningen, zijn alle stapeltjes inmiddels redelijk geslonken maar alles bij elkaar blijft het toch nog een hele verzameling. Er gaat geen week voorbij waarin ik niet bezig ben de zaak nog verder in te klinken want ik wil mijn kinderen later met niet ál te veel persoonlijke nostalgie opzadelen. Natuurlijk vraag ik me wel eens af waarom ik dit allemaal doe. Hebben mensen die nooit iets bewaren niet een veel ontspannender leven? Dat zal allemaal zo zijn maar toch heb ik mijn gegronde redenen om  wat documenten die in de loop van mijn leven iets voor mij betekend hebben, nog even te bewaren. Dat hangt samen met mijn interesse voor mijn voorgeslacht. Gelukkig bestaan er reeds twee eeuwen lang wettelijke regels die er aan bijdragen dat de meest essentiële gegevens van mensen worden vastgelegd. Dankzij de inspanningen van rijk en Kerk zijn de levens van veel geslachten in officiële documenten vastgelegd. Genealogen putten daar met graagte uit maar van het overgrote deel van onze voorouders is verder weinig meer bekend. Mijn vader was een ordelijke man die op een heel enkel persoonlijk briefje na alles wegdeed wat hem in de weg lag. Van mijn grootvader zijn gelukkig nog wel wat foto's maar verder oordeelde hij het kennelijk nooit nodig om ook maar iéts te bewaren. Over eerdere geslachten zullen we het maar niet hebben. Gelukkig zijn er nog wat verhalen en anecdotes en -voor wat betreft mijn vader- de persoonlijke herinneringen maar omtrent de motivatie die onze voorvaderen moeten hebben gehad om hun leven in te richten zoals zij dat deden, is verder weinig meer bekend. Ofschoon iedere vorm van pretentie mij vreemd is vlei ik me met de gedachte dat over een eeuw of zo er misschien nog wel eens een achterkleinkind rondloopt dat enige interesse heeft voor hetgeen zijn overgrootvader in de twintigste eeuw uitspookte. Om zo'n nazaat niet te frustreren is het dat ik de oogst van een kaleidoscopisch leven (ook de zeperds horen daarbij) opsla en zodanig groepeer en hergroepeer dat ik hoop dat het bewaren daarvan te managen is. De tijd zal leren of mijn belevenissen het later kunnen winnen van de opruimzucht van mijn nageslacht.