GĂȘne

Datum: maandag 11 december 2006

Het grootst gedeelte van mijn werkzame leven heeft zich afgespeeld tussen de vier muren van een supermarkt. Voor onze zaak aan het Abrikozenplein was dit eigenlijk een te groot woord. Toen mijn vader in 1959 de overstap gemaakt had van een bedieningswinkel naar een zelfbedieningszaak heette de winkel gewoon Lemckert Zelfbediening. Later hanteerden we namen als Super, Buurtsuper en, toen ons zelfvertrouwen wat toenam, ook wel Supermarkt Lemckert. Hoewel deze term in taalkundig opzicht correct was bleef het echter altijd opereren in de luwte van de grote jongens. Consumenten noemden een levensmiddelenbedrijf pas als een supermarkt als er ‘Hoogvliet’ of ‘Albert Heijn’ op de gevel stond.

Zowel mijn vrouw Marian als ik hebben in de bijna dertig jaar dat we dat samen gedaan hebben, het vak altijd met veel plezier uitgeoefend. Dat wil niet zeggen dat het altijd even leuk was. Altijd hard werken, veel probleempjes oplossen, een soort sociale vraagbaak zijn voor je klanten én voor je personeel, het zijn allemaal zaken die niet in je kouwe kleren gaan zitten. Alle sores die een mens kan meemaken hebben we wel eens een keer op ons bord gehad. Daar stond tegenover dat je zelfstandig ondernemer was, vrij om iedere dag weer je koers te bepalen en dat konden velen om ons heen niet zeggen. Van kennissen, vrienden en klanten hebben we heel wat frustrerende verhalen aan moeten horen die allemaal te maken hadden met het feit dat de klagers in hun werk door anderen, meestal door hun baas, getreiterd werden.

Behalve dat er veel uren werden gemaakt en er altijd voor je bestaan moest worden gevochten, moest je als ondernemer van een supermarkt ook vieze handen durven maken. Vooral de versafdelingen eisten fysiek zware arbeid. ’s Morgens voor zevenen liepen we reeds ons groenteafval  op de Haagse Groentemarkt te dumpen, een kwartier later laadden we onze bestelwagen vol met kratten sinaasappels of kisten prei. Niemand nam het je dan ook kwalijk dat je onder je nagels wel eens een  rouwrandje had. Tegenover die lichamelijke inspanningen stond echter het heerlijke gevoel dat je je eigen toko runde en dus al je creativiteit kwijtkon. De  positieve stress won het ruimschoots van de zorgen die je had. Bovendien werden we in materieel opzicht niet aan ons lot overgelaten, we hebben altijd goed ons brood kunnen verdienen.

Een enkele keer kom je nog wel eens iemand tegen met wie je je geschiedenis een tijdje hebt gedeeld. Mannen met wie je vroeger al om zeven uur ’s morgens na het bezoeken van de Groothandelsmarkt in een koffiehuis broederlijk aan een bakje zat te slurpen. Soms levert dat leuke gesprekken op die in een nostalgische sfeer eindigen. Een enkele keer overkomt het me dat de vent die ik aanspreek, en van wie ik zeker weet dat hij ergens een groentenwinkeltje had, me ontloopt en – als hem dat niet lukt- zich van de domme houdt. Na enig aandringen (want ik laat niet los) komt dan de schuchtere bekentenis. ‘Maar dat is wel een hele tijd geleden….’

De reden is duidelijk, de aangesprokene geneert zich voor zijn verleden en wil niet herinnerd worden aan het feit dat hij  ooit als kleine zelfstandige door het leven ging.

Van dit soort kerels zakt mijn broek af. Alsof er iets mis is met iemand die in de detailhandel zijn brood verdient. Alsof hard werken, vuile handen krijgen en een eerlijk stuk brood verdienen een schande is. Mensen die zich op deze manier voor hun verleden excuseren zijn het slachtoffer van een soort discriminatie die men in sommige streken van ons land met ‘witte-boordenterreur’ aanduidt. Niet iedereen beseft dat onze maatschappij in een troosteloos veld zou veranderen als er niet overal, op straat, in de winkels en in de fabrieken, mensen blijven rondlopen die bereid zijn om iedere dag weer zonder enige soort van gêne de handjes te laten wapperen.

Ik ben blij dat ik lang en met plezier kruidenier ben geweest.