Papier

Datum: dinsdag 24 mei 2011

Sinds de uitvinding en de toepassing van de computerchip als geïntegreerde schakeling (jaren zestig en zeventig vorige eeuw) ben ik gefascineerd door het fenomeen 'automatisering'. Nu is dat een erg breed begrip: wat mij destijds eigenlijk voornamelijk bezighield waren de mogelijkheden voor de supermarkt, en dat waren er vele. Met een enorme drive die ik me nog steeds als zeer aangenaam herinner, stortte ik me vanaf 1984 op de diverse aspecten die ook voor mij als kleine middenstander haalbaar waren. Daarbij werd ik geholpen door een zeer inventieve zwager die met zijn technische knobbel alles wat ik vanuit het bedrijf maar kon bedenken omzette in bruikbare programmatuur. Inmiddels ligt onze zakentijd al weer lange tijd achter ons maar wat ik er van overgehouden heb is het verlangen om nog steeds zo efficiënt mogelijk in te spelen op de mogelijkheden die de computer ons te bieden heeft. Voor veel mensen is dat geen vanzelfsprekendheid.
Reeds in de jaren tachtig werd voorspeld dat er nu wel gauw een eind zou komen aan het papieren tijdperk. De technische mogelijkheden waren nu immers aanwezig om data in elektronische vorm te versturen en op te slaan, dus zou al dat papier allemaal maar verspilling betekenen. Het tegendeel bleek waar te zijn. Krachtige psychologische barrières in onze dagelijkse gewoontes veroorzaakten dat tijdens de achter ons liggende jaren nog nooit zoveel papier is gebruikt om elektronisch vergaarde informatie af te drukken. Toch eigenaardig, want al die mappen, dossiers en stapels papieren dragen allerminst bij aan een overzichtelijk bestaan. Toegegeven, het is even wennen om de hele dag achter een beeldscherm te zitten maar het zoeken binnen een elektronisch dossier gaat tienmaal sneller dan in een traditioneel archief. Ook bij mij zelf ontdek ik een grote aarzeling om afscheid te nemen van het vertrouwde papieren geknisper. In mijn werkkamer huizen nog teveel mapjes waarvan ik weet dat ik de gegevens eigenlijk ook op efficiëntere wijze zouden kunnen worden opgeslagen. Door die twijfelachtige houding ontneem ik me zelf de mogelijkheid om te komen tot de toestand die ik als ultiem ideaal beschouw: Een overzichtelijke en lichte ruimte waarin ik voor wat betreft mijn administratieve bezigheden slechts te maken heb met een (geruisloze) computer waarmee ik alles schrijf, verzend, betaal en bereken en waarop ik alles bewaar wat het bewaren waard is. Daar ben ik nog ver vandaan.
Bij een groot Nederlands en landelijk opererend bedrijf, zo hoorde ik recent, werkt men naar zo'n toestand toe. Alle gebouwen worden van boven tot beneden omgebouwd tot flexplekken. Medewerkers wordt opgedragen om al hun papieren informatie bij het archief in te leveren en al wat zij denken nodig te hebben in te scannen zodat zij dat voortaan op hun beeldscherm kunnen raadplegen. Laptops worden afgeschaft, zelfs de printers verdwijnen via de achterdeur. Ieder wordt geacht vanaf een willekeurige werkplek in het gebouw in te loggen en zo zijn werk uit te voeren. Zelfs de telefoons gaan met het grootvuil mee. Werknemers die zo nodig denken te moeten bellen worden verwezen naar een soort vissenkom (op iedere etage één) waar ze net zoals bij de aan tabak verslaafden hun telefonades kunnen plegen. Achterliggende gedachte achter dit alles is zeer waarschijnlijk dat men alle overbodige en tijd vretende handelingen uit de bedrijfscultuur wil gaan weren. Daar zit veel in: ook met computers kan men een leven lang bezig zijn stapeltjes van links naar rechts te leggen. Enig nadenken over hoe men werkelijk tot effectief werken komt heeft nog nooit kwaad gekund.