Coach

Datum: donderdag 19 mei 2011

Op het wat deftige conservatorium in Den Haag liep nog eens een docent rond die door zijn collega's wel eens gekscherend de kleinkunstenaar werd genoemd. Deze bijnaam had de brave pianist te danken aan het feit dat hij zijn leerlingen van tijd tot tijd aanried om eens even een gewone standwerker te zijn. Zijn stelling was dat je als aankomend artiest niet genoeg oefenen kon in het optreden en daarom beval hij zijn pupillen om thuis regelmatig de schuifdeuren open te zetten om vervolgens alle ingestudeerde stukken uit te voeren voor de poes, de kanarie, de vriendin en voor opa.
Deze docent was een wijs man. Ieder die wel eens muziek maakt weet dat er een enorm verschil bestaat tussen het spelen voor jezelf of het voorspelen aan anderen. Muziekpedagogen moeten nogal eens de jeremiades van hun leerlingen aanhoren die beweren het stuk waar ze niets van terechtbrengen, zoëven thuis nog vlekkeloos konden spelen. Maar natuurlijk is het zo dat je pas van beheersing kunt spreken als je ook in staat bent om het stuk in het openbaar te presenteren. Daarom zijn pauzeconcertjes of voordrachtsoefeningen populair, aankomende voordrachtskunstenaars kunnen daar vast aan dat gevoel wennen

Studenten die aan een muziekinstelling studeren zijn gelukkige mensen omdat ze doorgaans door hun docent scherp worden gehouden. Telkens worden zij aan nieuwe repertoire gezet en vervolgens gedwongen die voor publiek uit te voeren. De wil om binnen gepaste tijd het diploma te halen is vervolgens sterk genoeg om de vaart erin te houden. Met de motivatie wordt het pas een probleem op het moment dat de fraaie bul ingelijst en wel aan de muur hangt. Niet iedere afgestudeerde student is in staat om de discipline uit zijn studietijd vol te houden.

Musici kunnen een fraai bord boven hun deur hangen waarop staat dat ze bevoegd toonkunstenaar zijn, ze kunnen hun haar laten groeien en een snor kweken, ze kunnen zich aanmelden bij de Buma en zich voortaan voor hun schnabbels vetter laten betalen. Maar met al die kunstgrepen ontwikkelen ze zich nog niet als musicus. Het is pas kunst als je het scheppend proces waarmee je tijdens je opleiding hebt leren omgaan ook op eigen kracht kunt voortzetten. Dat betekent veel zelfverloochening, hard werken, erg nieuwsgierig zijn en ook nog ondernemer spelen want de schoorsteen moet blijven roken. Aan een kritische beoordeling van jezelf kom je dan haast niet meer toe.

Er is één beroepsgroep die daar wat op gevonden heeft. Het zijn de zangers. Goede vocalisten doen net als ieder ander eindexamen maar maken onmiddellijk daarna weer afspraken met een zangpedagoog. Net zoals sportmensen door hun trainer laten zij zich door een bekwame collega begeleiden en blijven daardoor op scherpte om hun werk te blijven doen. De confrontatie met hun kritische coach houdt hen in de conditie die nodig is om hun niveau te laten groeien. Eigenlijk is dit een perfect idee voor ieder die zich op een professionele manier met muziek bezighoudt. Wat is er tegen om jezelf fris te houden door op afgesproken tijden eens wat aan een gerespecteerde collega voor te spelen ? Is het geen zinvolle manier om het mogelijk wat gedateerde repertoire eens te verversen ? Misschien is het een goede remedie tegen de frustraties van een kerkmusicus of een middel tegen de eenzaamheid van de beiaardier (om maar eens een paar te noemen).
Er zijn argumenten genoeg. Iedere musikant kan van zijn collega's zangers en zangeressen nog best veel leren.