Hoed

Datum: dinsdag 22 februari 2011

HOED

Op foto's die dateren van tijdens of vlak na de oorlog vallen mij altijd twee dingen op. Het eerste is de vreselijke haardracht van mannen. Dat zijn echt de befaamde bloempotmodellen. Vaak met veel brillantine in de kuif en een akelig scherpe scheiding links. Het tweede dat opvalt zijn de hoeden van mannen. Zodra een kerel vroeger dertig jaar of ouder was droeg hij een grijze gleufhoed op zijn bol. Die hoed zorgde ervoor dat alle mannen uit die tijd op elkaar leken.
Ook mijn vader (1899-1990) droeg vroeger zo'n hoed. 's Zomers bleef de hoed wel eens af maar 's winters kon hij niet zonder. Reeds vroeg kaal geworden dwong het Hollandse weertype hem om deze trouw op het hoofd te houden, wilde hij geen fikse verkoudheid riskeren. Gecombineerd met een mooie grijze winterjas vond ik zijn hoed hem nooit misstaan. Natuurlijk dolden wij wel eens met die hoed maar altijd met een zekere eerbied want de hoed gold toch een beetje als teken van gezag, mannen gebruikten hem destijds ook in hun toenmalige etiquette. Groeten op straat gebeurde door beleefd de hoed voor de ander af te nemen.
In de zestiger jaren maakte de hoed een soort van wedergeboorte door. Jonge jongens, ook ik, zetten destijds een soort jagershoedje op hun hoofd om daarmee te scoren bij de dames. Mij is dat toen niet gelukt maar de hoedjes hadden ontegenzeggelijk charme. De gril verdween even snel weer als hij gekomen was.
Inmiddels, vijfendertig jaar verder, heeft de hoed zich wederom een plaats in de samenleving verworven. Je loopt niet meer voor gek met zo'n ding op je hoofd mits je niet een al te extreem model uitzoekt. Bovendien zijn ze lekker warm op je hoofd. Het schijnt dat een mens 's winters via zijn kruin nogal wat warmte verliest. Alle reden om tijdens een heftig winterseizoen eens aan een hoed te denken.
Ook ik ben dus voor de bijl gegaan en heb voor de tweede keer in mijn leven een paar tientjes in een hoed geïnvesteerd. Ik ben er meteen verslingerd aan geraakt. Eigenlijk is het een heerlijk kacheltje op je hoofd. Nadeel is dat je er absoluut aan vast zit zolang de R nog in de maand zit.
Grappig bijverschijnsel is dat de hoed bij de passanten die je op straat tegenkomt onmiskenbaar opvalt. Net zo als je mensen duidelijk ziet kijken als je wel eens met rare schoenen of knalrode sokken aan loopt, (herkenbaar door razendsnel gemaakte oogbewegingen) zie je in fracties van seconden dat de mensen je iets nadrukkelijker observeren. Ik verbeeld dat de eerbied die ik vroeger voor mijn vaders hoed had, nog steeds niet helemaal verdwenen is. Uit de ogen van mijn tegenliggers op straat straalt geen minachting; integendeel het lijkt een stille verbazing om hoe het kennelijk óók kan. Bij dames neem ik een blik waar die me niet onwelgevallig is. Daarbij maak me absoluut geen illusies maar streel ik me met de gedachte dat de meesten het wel aardig vinden staan. Voor een kalende heer van boven de zestig is dat voldoende om je weer een dag lang goed te voelen.