Egypte

Datum: dinsdag 01 februari 2011

De krant vermeldt vanmorgen dat toeristen uit onder meer Hurghuda in Egypte gisteren ‘hals over kop' uit hun hotel moesten vertrekken vanwege de politieke onlusten in dat land.
Daarbij schoot me een nare herinnering in gedachten aan de keer dat ons bijna zoiets dergelijks overkwam in het zelfde land, zelfs in hetzelfde plaatsje.
Het was in de winter van 2004 op 2005 dat we besloten hadden ons door de Egyptische zon op te laten warmen. Bij het reisbureau boekten we een viersterrenhotel met een groot zwembad ervoor. De plaatjes lonkten, de thermometer beloofde niets dan goeds. Wat zou ons geluk nog in de weg staan? Welnu dat bleek al snel bij aankomst toen we, 's avonds zeer laat aangekomen, in het hotel de meest onaantrekkelijke kamer van het pand aangeboden kregen. Toen dat opgelost was bleek ònder de vervangende kamer die we kregen een kettingroker te bivakkeren die de hele dag rokend uit zijn raam hing en onze atmosfeer daarmee grondig bedierf. In het hele hotel werd trouwens door iedereen als een gek gerookt. Sigaretten zijn spotgoedkoop in Egypte. Vóór ons hotel hingen permanent soldaten met karabijnen, ìn onze badkamer hing een rioollucht. Onze mede hotelgasten bleken voor een belangrijk gedeelte uit Russen te bestaan die het buffet dagelijks leegstalen door zich zelf onredelijk grote porties op te scheppen die vaak na afloop terug naar de afwaskeuken gingen. De grootste drama's speelden zich echter buiten af. Het prachtige openluchtzwembad bleek onbruikbaar vanwege non stop house muziek met een ongelofelijk groot aantal decibels waarmee de zwemmers en zonaanbidders zonder pardon verjaagd werden. Het enige dat er voor ons opzat was om met onze zwemspullen in een tasje, een kwartier lopen verder, een uiterst afgelegen plekje op het strand aan de Rode Zee te zoeken. Dat viel nog niet mee want vanuit iedere strandtent heerste eveneens de terreur van de herrie. De enige keer dat ik me pootje badend in zee waagde, keerde ik terug met een scheenbeen vol ruwe smeerolie die ik er pas na dagen een beetje afkreeg. Ik heb het maar niet over de vloek van de Farao die ons teisterde en de genante rondreis naar Luxor waar we als kleuterschoolkinderen door een vreselijk flauwe Belg in colonne langs de bezienswaardigheden werden geleid. In de bus moest ik de chauffeur eraan herinneren dat de afspraak gold dat er niet gerookt zou worden.
De apotheose volgde midden in de vierde nacht toen we wakker werden en naar buiten ziende heel de tuin met zwembad in verstikkende rook aantroffen. We wisten niet hoe snel we in de kleren moesten schieten om hem te smeren toen - na het uitblijven van iedere soort alarm- bleek dat het om een ritueel van insectenbestrijding ging. Omdat het gebied waar de hotels staan eigenlijk helemaal niet geschikt is voor menselijke bewoning spuit men 's nachts het hele terrein onder met insectenverdelgers die dezelfde rook produceren als een flinke bosbrand.
Zo volgde de ene afknapper op de andere. Zelden hebben we na een week met zoveel plezier onze spullen gepakt. Tegelijkertijd met veel spijt dat we voor veel geld zo veel ellende hadden moeten meemaken. Toen we in de bus kropen en nog één keer onze neus dichtknepen vanwege de verbrande plasticlucht die werd veroorzaakt door een vuilnisbelt die op loopafstand van het hotel lag, wisten we één ding zeker: Nooit meer Egypte.