Uitvaart

Datum: zondag 24 januari 2010

Met de aandacht voor de kerkelijke uitvaart is het binnen de protestantse gelederen van oudsher al wat magertjes gesteld. Dat is ooit wel anders geweest: Zeer oude bronnen vertellen dat de eerste christenen hun doden onder psalmgezang, schriftlezing en gebed naar hun laatste rustplaats begeleidden. Uit die praktijk ontstond de dodenliturgie welke uitmondde in wat men in de roomse traditie de Requiemmis noemt. Het is een viering die op het heil van de gestorvene gericht is. Omdat de Reformatie oordeelde dat de doden zich buiten onze invloedssfeer bevonden en dus voor rekening van God kwamen, beperkte zij het uitvaartritueel tot een minimum. Calvijns mening was dat uitvaartsstoeten op het kerkhof en niet in de kerk thuishoorden. In de loop der jaren kwam men schuchter op deze resolute houding terug. In de kerk werd ruimte verleend aan een soort rouwbeklag. Men organiseerde dat door op de zondag na de begrafenis met en voor de rouwenden te bidden. Pas in de loop van de negentiende eeuw verscheen de predikant aan het graf waar hij woorden van troost sprak. Niet eerder dan in 1955 kreeg de Nederlands Hervormde Kerk een orde van dienst voor de begrafenis, echter bedoeld voor de huisgemeente.
In de Liturgische Kring, een groep vooraanstaande liturgisten aanvankelijk onder leiding van Prof. Dr. G. van der Leeuw, ontstond de gedachte om de uitvaart van gestorven gemeenteleden als ambtelijke taak van de kerk te zien. Daarbij werd gepleit voor een uitvaartdienst met schrift en tafel en de predikant in ambtsgewaad aan de groeve. Hoewel er weinig is vastgelegd (ons Dienstboek rept nauwelijks over de uitvaartdienst) is de praktijk in onze dagen dat de kerk zich wel degelijk over de uitvaart van haar overledenen bekommert. Daarbij zijn predikanten geheel vrij in het kiezen van de vorm van de plechtigheid. Rouwdiensten hebben daarom doorgaans een zeer onvoorspelbaar verloop. Soms zijn het kille bijeenkomsten zijn waarin een handjevol geseculariseerde familieleden er met moeite nog een paar bekende liederen uitperst, soms ook zijn het blijde, diep doorleefde dankdiensten waarin aan het geloofsleven van de overledene volledig recht wordt gedaan. In het eerste geval vraag je je af waarom de familie maar niet gewoon rechtstreeks naar het graf is doorgelopen, in het andere geval zou je de rouwenden in plaats van te condoleren wel eens willen feliciteren met de geestelijke rijkdom die zij van de overledene hebben mogen erven.
Voor organisten zijn rouwdiensten in zoverre aantrekkelijk dat ze -in tegenstelling tot de zondagmorgenpraktijk- de zo innig gewenste stilte opleveren. Alleen een lijkkist vóór in de kerk is in staat om de aanwezigen bij de voorbereiding van de dienst hun kwek te laten houden. Dat is een welkome afwisseling in het leven van een muzikale dienaar die maar al te vaak zijn zorgvuldig uitgekozen orgelpreludium als muzikaal behang hoort opgaan in het gekwinkeleer van het bijeenstromende volk. Natuurlijk is dat gekwetter niet kwaad bedoeld maar heeft het te maken met een verandering in mentaliteit waarbij mensen zich niet zo zeer voorbereiden op een ontmoeting met God maar op een ontmoeting met elkaar.