Etiquette

Datum: maandag 18 juni 2007

Er is een tijd geweest dat aan de kleding van de mensen te zien was wat voor beroep ze uitoefenden. Allerlei onderdelen van hun tenue boden zicht op hun maatschappelijke status en de rol die zij in de samenleving vervulden. Zo is het bekend dat predikanten in de achttiende eeuw op straat nog duidelijk herkend werden aan hun donkere mantel, compleet met steek en bef. Hildebrand grapt in zijn Camera Obscura veelvuldig over de potsierlijkheid van de kleding van mensen die hij tegenkomt. Zo veronderstelt hij dat de man die hij op weg naar de familie Stastok in de diligence ontmoet, vanwege het feit dat alles wat aan de man bungelt zo'n beetje van zilver is, wel een zilversmid zal zijn.
We kennen nog steeds voor bepaalde beroepsgroepen een zekere dresscode. De katholieke geestelijkheid is, zeker als ze in functie is, nog duidelijk te herkennen. Ook nonnetjes duiken nog regelmatig op. De gewoonte van bepaalde beroepsgroepen om zich tijdens hun werk in uniform te hijsen levert voor deze burgers een volstrekt duidelijke identiteit op. Toch zijn er veranderingen opgetreden in het toepassen van de kleedgewoonten. Waren militairen vroeger verplicht zich zelfs buiten diensttijd in hun uniform te vertonen, tegenwoordig is dat allemaal niet meer zo. Sterker nog: het wordt als not done beschouwd als buiten werktijd agenten, beveiligers of soldaten van het Leger des Heils zich in hun uniformen op straat begeven.

In de detailhandel, trouwens ook bij banken, heeft het verschijnsel bedrijfskleding al jaren terug zijn intrede gedaan. Bedrijfskleding ondersteunt de reclame-uitstraling van een bedrijf en sluit daar in kleurstelling ook meestal op aan. Ze accentueert de eenheid binnen een keten en voorkomt (denk ik dan wantrouwend) dat werknemers in de afzichtelijke kleding waarmee ze 's morgens soms binnenlopen ook nog klanten gaan helpen. Wij wisten vroeger in onze supermarkt tenminste niet hoe snel we iemand soms een bedrijfsschortje aan lieten trekken. Niet iedereen heeft even fijnzinnige ideëen over de kleding die hij of zij tijdens het werk zou moeten dragen.

Net zoals als een uniform is bedrijfskleding iets dat uitsluitend bij de beroepsuitoefening behoort. Daarom zie je zelden dames van Albert Heijn met hun blauwe winkelschort in de tram zitten. Werknemers van zo'n bedrijf worden geacht hun beroepskleding in de garderobe van het bedrijf achter te laten, in ieder geval het niet aan te houden als ze op straat zijn. Hun gedrag in de vrije tijd zou immers in strijd kunnen zijn met de uitgangspunten van het bedrijf. Zo bestaat er een ongeschreven etiquette dat je om allerlei misverstanden te voorkomen en om de communicatieve waarde van de bedrijfskleding niet te frustreren,  je het dragen van bedrijfskleding strikt beperkt tot in het bedrijf zelf. Niet iedereen echter houdt zich daaraan.

Ik erger me minstens één maal per week aan een grote, al wat oudere man die werkt bij een grote drogisterij in ons winkelcentrum. Voor zijn kennelijk noodzakelijke nicotineshot verlaat hij een aantal malen per dag het pand om dan wandelend door het winkelcentrum aan zijn gerief te komen. Dat moet hij zelf weten maar hij doet het in de drogistenjas die zijn werkgever hem voor andere doeleinden aangemeten heeft. Ik vind het conflictueus als een drogist van wie ik enigszins heldere ideëen over 's mensen gezondheid verwacht, een aantal malen per dag publiekelijk in witte jas aan een peuk loopt te trekken.

Evenmin vind ik het geen gezicht als ik werknemers van Albert Heijn met hun winkelschort aan bij C 1000 hun boodschappen zie doen. Door zo'n houding verloochenen ze hun werkgever van wie ze door dit gedrag uitstralen dat deze misschien wel een prettige aanlevereraar van een maandsalaris is, maar als winkel eigenlijk te duur. Het feit dat werkgevers dit soort zaken niet veel nadrukkelijker verbieden komt waarschijnlijk omdat het hen volkomen ontgaat (in grote winkels is er nauwelijks sprake meer van enig persoonlijk contact) of omdat ze de etiquette zelf ook niet kennen.
Daarom zeg ik het nog maar eens.