Steekje los

Datum: maandag 04 juni 2007

De man die in de tram naast me kwam zitten, keek me slechts een ogenblik aan en stak vervolgens direct van wal. Zonder zich af te vragen of het mij wel interesseerde startte hij een uitvoerig relaas waaruit bleek dat hij zojuist van zijn eetadres kwam. Ze aten daar aan gezamenlijke tafels, het eten was er altijd heerlijk, het voedsel werd lekker warm opgediend en bovendien was er altijd nog koffie met een koekje toe. Op een secure manier werden de menu's doorgenomen en het cijfer dat daarbij hoorde. Ook de toetjes werden niet vergeten, alle met een waarde-oordeel plus een vermelding van de grootte van het glazen bakje waarin de desserts werden opgediend. We hadden duidelijk met een sociaal-zwakkere man te maken die weer op weg was naar zijn woning. Ik mocht geen afscheid van hem nemen alvorens ik precies op de hoogte was van zijn adres dat ergens in Loosduinen was. De slotmaat werd gevormd door een dringend advies om voortaan geen strippenkaart meer te kopen maar vooral een jaarkaart voor de tram aan te schaffen. Tot op de cent nauwkeurig rekende hij het voordeel voor me uit.

Pas als je daarop let merk je hoe de straten van een stad als de onze vol lopen met lieden waaraan wel een steekje los zit. Daar bedoel ik niets onaardigs mee, integendeel. Onze zonderlinge stadbewoners vormen zo'n beetje de peper en het zout van onze samenleving, als je de humor ervan inziet wordt het ook wat minder dramatisch. Tegelijkertijd besef je dat in veel gezinnen veel zorg moet zijn om huisgenoten die het maatschappelijk niet bij kunnen houden. Ook groeit de waardering voor alle sociale instellingen die op dit gebied veel nood verzachten. Je komt wel eens klasgenoten van vroeger tegen, jongens en meisjes die best konden leren en zich ogenschijnlijk goed in hun vel voelden toen ze tien waren, maar aan wie je kunt zien dat ze het toch niet gered hebben. Sneu, dat een leuke baan, een fijne relatie en een gezellig onderkomen voor hen kennelijk niet weggelegd was.

Ook in onze winkel vroeger kregen we naast onze gewone klanten soms van alles over de vloer. Het waren vogels van verschillend pluimage. Op het Abrikozenplein ontvingen we veel sociaal zwakkeren die bij de Gemeentelijke Dienst School- en Kindertuinen waren ondergebracht. Daar waren hele nerveuze, angstige mensen bij maar ook veel schatten van kerels. Nooit zal ik Ron vergeten, destijds al een jaar of veertig. Hij was mobiel-, visueel- en verbaal-gehandicapt. Als hij zich verstaanbaar probeerde te maken deed hij dat onder een geweldige speekselproductie die er al pratend meteen uit kwam. Hij had een hart van goud, was eerlijk en ijverig en hield van ons, net zoals wij heel veel van hem hielden. Iedere dag kwam hij door onze winkel hinkelen, natuurlijk hield hij zich aan geen enkele regel maar dat kon ons niks schelen. Op zijn beste momenten kon hij zelfs een beetje roddelen. Als je de tijd ervoor nam verschafte hij je veel vertrouwelijke informatie over zijn collega's waarbij zelfs de humor niet geschuwd werd. Toen wij ons bedrijf verkochten en het plein dus verlieten kregen we een ansichtkaart van hem zoals je die van een vierjarige kleuter krijgt want ook de schrijfkunst ging hem niet zó best af. Die kaart heeft een ereplekje in ons archief gekregen en herinnert ons aan een fantastische tijd met deze man die er onooglijk uitzag maar tegelijkertijd de mooiste man van de wereld was.