CC

Datum: maandag 02 april 2007

Of je nu wilt of niet, soms ontkom je er niet aan om de kring mensen om je heen in tweëen te verdelen. Zoiets als het onderscheid tussen bokken en schapen. Om een of andere reden ga je je kennissenkring opdelen in groepen met wie het wél of niet makkelijk is om mee om te gaan. Eigenlijk zou ik dat niet willen, maar soms kan het niet anders.

Het speelt bijvoorbeeld bij rokers en niet-rokers. Ik denk dat negentig procent van de lieden met wie ik regelmatig omga, geen rokers (meer) zijn. Zelf niet-roker levert mij die overgrote meerderheid dus geen problemen op. Des te lastiger is het om bij die kleine minderheid je houding te bepalen. Zeker de helft van die laatste groep maakt het me makkelijk door eenvoudig van roken af te zien als ze zich in mijn gezelschap bevinden. Hulde. De restjes walm waarmee ze zich wel eens omringen neem ik voor lief, tenslotte staat ook niet ieder damesparfum of merk aftershave me aan. Een soort gewetensnood komt echter op me af bij het staartje rokers dat niet in staat is om deze gewoonte na te laten in gezelschap van anderen. Het zijn vaak mensen die ik graag mag, ik vind ook dat ik hen niet mag stigmatiseren, anderszijds voel ik er ook niet veel voor om tegen mijn zin in mee te gaan zitten roken bij dit soort ontmoetingen.Tot mijn schande moet ik belijden dat ik hierin toleranter ben naarmate mijn eigen belangen in dit contact een grotere rol spelen. Als ik ergens mijn zin in wil hebben trotseer ik dus ook sigarettenrook, in alle andere gevallen probeer ik simpelweg om het contact te mijden. Eigenlijk vind ik dat helemaal niet aardig van mezelf, ik probeer zoveel mogelijk mijn belérende vingertje tot rust te manen. Maar toch....

Een zelfde soort scheiding der zielen is aanwezig bij de relaties met wie je wél of niét kunt e-mailen. Met alle onrust die dit fenomeen óók met zich meebrengt, is e-mail toch een fantastisch middel om snel en efficiënt met elkaar te communiceren. Voor alle soorten van beraadslaging biedt dit digitale medium de mogelijkheid om snel en in goed overleg met elkaar knopen te kunnen doorhakken, vandaar dat met name in bestuurskringen de mogelijkheid om te kunnen e-mailen een absolute voorwaarde is om mee te kunnen doen. En dan heb ik het nog niet eens over het wegvallen van grenzen vanwege de wereldwijde omvang en over de briljante mogelijkheid om de meest uitgebreide digitale documenten in één keer met zo'n e-mailtje mee te kunnen sturen. Vergeeft u daarom mijn irritatie als ik wel eens van midden in het leven staande mensen te horen krijg dat ze ‘helaas geen e-mail hebben'. Zoiets klinkt toch ongeveer hetzelfde als de boodschap dat ze thuis hun behoefte nog op een ton zitten te doen. Ik gun e-mailerweigeraars met hun traditionele brievenbus net als op het ouderwets privaat hun rust, feit is wel dat ze met het haakje op de deur zichzelf intussen wel buiten de gemeenschap plaatsen.

Dat wil niet zeggen dat onze moderne manier van corresponderen ook geen nadelen kent. Een e-mailbox heeft ook zo zijn verslavende kantjes. Hoefde je vroeger maar één keer de komst van de postbode af te wachten, zijn digitale evenknie meldt zich soms wel dertig keer per dag. Het vereist een zekere discipline om daarmee om te kunnen gaan. Daarnaast doet zich de mogelijkheid om te kunnen CC-en als rampverschijnsel voor. De kwakkeloze gewoonte van velen om via de optie CC ongevraagd anderen mee te laten delen in hun ontboezemingen levert vaak overbodige en niet gewenste informatie op. Bovendien hoor je vaak ook maar de helft van een verhaal zodat je over het onderwerp nog wel eens op een verkeerd been gezet wordt. Velen zouden er daarom wijs aan te doen wat minder gretig naar de CC-knop te grijpen. Mede-e-mail gebruikers hoeven ook weer niet álles te weten.