Volunteer

Datum: maandag 26 februari 2007

In het pand van onze plaatselijke muziekhandel sluip ik altijd graag even naar boven omdat daar altijd een hele voorraad tweedehandsmuziek ligt uitgestald. Ik ben dan niet alleen op zoek naar serieuze dingen maar snuffel uit hobbyisme altijd nog even tussen de schlagers en andere populaire deunen van een halve eeuw terug. Laatst vond ik tussen de The Holy City en de de Bloemenwals van Strauss een Engels boekje met meer dan zeventig songs uit de jaren dertig. Eén van de liedjes daarin heet ‘The Volunteer Organist' en is een soort ballade over het verhaal van de predikant die 's zondagsmorgens vóór de dienst zijn gemeente moet vertellen dat de organist ziek is. Hij vraagt of er een misschien een vrijwilliger in de kerk zit die de begeleiding van de gemeentezang op zich zou kunnen nemen. Na enige momenten van doodse stilte strompelt er een sjofele zwerver het gangpad in die zwijgend achter de toetsen plaats neemt. Het gonst in de kerkbanken van opwinding en iedereen vraagt zich geërgerd af wat die verlopen man nu achter dat orgel moet. Zodra de man echter aan het spelen gaat, slaat de ergernis om in verbazing. De zwerver blijkt in staat met zijn spel binnen korte tijd de hele gemeente tot tranen toe te kunnen roeren. Nog nooit hebben ze zoiets moois gehoord. Het lied eindigt dan ook met de vertelling dat het warme spel van de zwerver zelfs de prachtige preek van de dominee overschaduwd had. Iedereen bleef na afloop van dit wonder als genageld aan zijn bank zitten. De zwerver zelf was de eerste die via een zijbeuk nog steeds zwijgend de kerkruimte verliet...

Eigenlijk past dit lied perfect in deze tijd. Weliswaar is het nog niet zo dat iedere zondagmorgen maar weer moet worden afgewacht of er een organist komt opdagen maar dat ‘het orgel' 's zondagsmorgens speelt is meestal meer een verdienste van organisten zelf dan een gevolg van de inspanningen van hun kerkelijke werkgevers. De meeste kerkenraden beschouwen organisten als ‘volunteer', een begrip dat je als ‘vrijwilliger' kunt vertalen maar tevens de betekenis heeft van iets dat ‘vanzelf' gaat. Alsof een orgel uit zichzelf zou kunnen spelen. Zeker in deze tijd waarin het 's zomers vaak ondoenlijk is om geschikte vervangende organisten te kunnen vinden, zou iets meer interesse niet misstaan. Ook over het scheppen van een komende generatie organisten wordt zelden nagedacht. Gelukkig sluipen organisten bij ons zelden als zwerver het gebouw binnen maar als ze zich zouden kleden naar hun verdiensten dan zouden ze vrijwel naakt achter de toetsen zitten. Dat is waarschijnlijk ook de verklaring voor het feit dat organisten vroeger vaak achter gordijntjes zaten.
Met de bijbel opgevoed als ze zijn blijven veel kerkbestuurders net als Tom Naastepad in gezang 300 (Liedboek voor de Kerken) op een wonder hopen. Zij vragen zich nieuwsgierig af hoe lang het mirakel nog zal duren dat het orgel speelt zònder dat je daar al te veel moeite voor doet. Naastepad doelt in zijn tekst op het wonder van ‘mensen die oplaaien als een vuur'. Doorgaans ontbreekt het organisten daar niet aan maar zij kunnen daarbij vanuit de moederschoot van de kerk nog best wat support gebruiken.