Leegloop

Datum: maandag 12 februari 2007

De kerken lopen leeg. In beide kerken waar ik orgelspeel verschijnt nog maar een fractie van de groep mensen die zich actief noemt 's zondagsmorgens bij de ingang. Dat betekent dat een grote groep mensen die ooit de gewoonte hadden om op de eerste dag van de week 's morgens rond acht uur het bed uit te springen om om tien uur in de kerk te kunnen zijn, hiervan is afgestapt. Op het moment dat de gemeente de openingspsalm aanheft, draaien velen zich nog eens lekker om.
Over de reden van deze verschraling worden dagelijks kranten en jaarlijks boeken volgeschreven. Ongetwijfeld heeft het te maken met de veranderende cultuur waarbinnen tijd en geld is voor allerlei soorten van hedonisme. Het heeft ook iets van doen met ons onvermogen om nauwelijks meer dan tien minuten geconcentreerd naar iemand te kunnen luisteren, verwend als we zijn door een maatschappij waarin slechts via beeld wordt gecommuniceerd. De leegloop zal misschien ook een gevolg zijn van sterk veranderende theologische inzichten die alle uitspraken over hel en verdoemenis voorgoed achter de tralies gezet hebben. In een veranderende maatschappij (en daarmee bedoelen we meestal de periode van de laatste dertig, veertig jaar) zijn ongetwijfeld veel boosdoeners aan te wijzen die een eens zo goede gewoonte uit ons leven geschrapt hebben.
Dat zal allemaal wel waar zijn. Ik denk echter dat de oorzaak veel dieper zit en vermoed dat het proces dat we nu ontkerkelijking noemen al vele, vele jaren eerder is ingezet. Voor een gedeelte heb ik dat zelf kunnen waarnemen. De mensen die nu leiding geven aan de kerk zaten tijdens mijn jeugd in ons gereformeerde kerkje op de achterbanken van de gaanderij lol te trappen. Er moesten hulpkosters, een soort suppoosten, aan te pas komen om deze vorm van baldadigheid enigszins te temperen. In de jaren vlak na de oorlog reeds stelde cathechese weinig meer voor. Predikanten hadden de grootste moeite om de groep jochies en meiden in bedwang te houden. De kwaliteit van de interactie tussen kerkenraad en gemeente stond in die jaren reeds op een bedroevend laag pitje, de aandacht hiervoor werd afgeleid door te zwelgen in allerlei quasi rechtzinnige actiedoenerij: ik heb het nog meegemaakt dat gemeenteleden volgens een uitgebreide, achter in het psalmboek genoteerde procedure van de gemeente werden afgesneden. Alleen het woord al !
Tijdens mijn jeugd kwam niemand op het idee om mij, geïnteresseerd knaapje, uit te leggen hoe een kerkdienst in elkaar zat. Pas nu weet ik waarom: men wist het zelf niet. Ook mijn goede vader, kind van Abraham Kuyper, was zo in beslag genomen door diens ideëen over de kleine luyden dat, net zoals bij de anderen, er bij hem geen aandacht voor dit soort details overschoot.
Als ik probeer terug te zien op een eeuw gereformeerdendom, want ik besef dat ik daarover spreek, kan ik niet anders concluderen dan dat dezelfde Abraham Kuyper door zijn geweldige dominantie zijn volgelingen een beetje overvraagd heeft. Toen na Kuypers dood anderen zijn missie moesten overnemen, ontsnapte langzaam de geest uit de fles, doch gereformeerden bleven wel zijn woorden nalispelen.
Jarenlang is dat onder druk van een gewillige discipline en een niet te onderschatten sociale controle goedgegaan. Nu we in de eenentwintigste eeuw aangeland zijn en onze taal nog steeds niet aangepast hebben, kunnen velen niets meer aan met de boodschap die onze grootvader nog in een staat van verrukking bracht.