Publiek

Datum: maandag 22 januari 2007


In de tijd dat ik als kind opgroeide was het met de muziek in de kerk nogal magertjes gesteld. Kerkmuziek was, zeker binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland van waaruit ik ontsproten ben, een randverschijnsel. Het mocht nooit wat kosten (dat was terug te horen tijdens de eredienst) en over kerkmuzikale zaken werd in de kerkenraad beslist door mensen die op zijn best kans zagen om op hun serafijnorgel thuis een lied van Johannes de Heer te spelen maar verder niet door kennis over het onderwerp werden gehinderd. Abraham Kuypers adagium over de honorering, n.l. dat organisten het net zoals ouderlingen maar voor niks moesten doen, werd nog volop aanbeden. Dit alles leverde geen inspirerend toekomstbeeld op voor enthousiastelingen die het malle idee kregen om van de kerkmuziek hun beroep te maken. Ze kwamen in die kringen dan ook nauwelijks voor.

Daar stond echter tegenover dat iemand die, op welke condities dan ook, een plek had als organist wél iedere week kon rekenen op een veelkoppig auditorium. Kerken zaten nog gezellig vol. Voor organisten in die tijd was het heel gewoon om iedere zondag zo’n zes- tot achthonderd mensen tijdens de lofzang vóór te mogen gaan. Daarnaast was er binnen dat milieu een zekere levendigheid rondom het orgel. In iedere kerk liepen altijd wel een paar liefhebbers rond die zich elk op hun eigen manier met het orgelspel bemoeiden. Dat was niet altijd even plezierig maar het leverde wel een boeiende competitie op. De ongevraagde juryleden hielden de organist scherp omdat deze  wist dat onder zijn gehoor minstens tien stel oortjes kritisch zat mee te luisteren.

Tegenwoordig zijn een aantal zaken beter geregeld. Organisten worden beter opgeleid, ze worden meer betrokken bij de eredienst en doorgaans ook stukken beter gehonoreerd. Hun positie binnen de kerkelijke organisatie lijkt er dus in alle opzichten op vooruitgegaan. Er is echter één probleem: Organisten zijn hun publiek kwijt.

Los van het feit dat de kerken niet zo vol meer zitten als vroeger, zijn de meeste mensen uit het overgebleven kerkvolk hun affiniteit met kerkmuziek kwijtgeraakt. De antenne die de kerkmuzikale grondtonen van de liturgie zou moeten opvangen is bij velen voorgoed verwisseld voor iets draadloos’. Zo’n kerkelijke breedbandverbinding pikt nog vaag iets op uit de evangelische ether en bespeurt nog wat geruis vanuit een nostalgisch verleden maar informeert niemand meer hoe ambachtelijk orgelspel nu wél of niet zou moeten klinken.

Gemist worden ook de mannetjes die na de dienst de orgeltrap opstormden om vervolgens nog wat te babbelen met de organist over wat er gespeeld werd. Nooit meer melden zich verlegen debutanten stotterend of ze nog even mogen spelen.

Daardoor is de organist een eenzame figuur geworden die slechts nog op zijn kleur haar of op zijn vlotte babbel wordt beoordeeld. Zó er sprake is van enige respons dan is dat op het niveau van luid of minder luid orgelspel of betreft het iets onbeduidends over een niet zo bekend lied.

Tijdens een schreeuw om aandacht grijpt de organist nog wel eens naar het verleidelijk wapen van een gevoelige smartlap tijdens het uitgaan van de kerkdienst. Zo’n gebaar levert dan een schouderklopje plus enkele weken zelfvertrouwen op. Ik vrees echter dat zelfs dié muziek straks niet meer herkend wordt.