Uit het leven van Johan Theodorus Lemckert (1789-1862) en zijn gezin

Johan Theodorus (J.Th) werd in 1789 als nakomertje geboren in het gezin van de in 1739 in Duitsland geboren Henrich Wilhelm Lemker (later: Johann Wilhelm Heinrich) en zijn vrouw Margaretha Christina Herbst. Omdat zijn vader JWH reeds in 1790 sterft heeft hij deze nooit gekend. Het is onbekend hoe zijn jeugd verlopen is. Wat we weten is dat zijn moeder in 1811 (als haar oudere zoon Carolus trouwt) in Goch (dat is Duitsland) woont. Uit het hieronder vermelde getuigschrift weten we dat hij tot haar overlijden bij haar inwoonde doch we weten niet vanaf welk moment dat geweest is.  We beginnen hier zijn verhaal op het moment dat hij na na haar dood op 20 maart 1818 vanuit Duitsland terugkeert naar Nederland.

Op de weg naar huis (zo vermoeden wij) doet hij in augustus Baron van Reede aan. Waarschijnlijk is er ooit een relatie ontstaan tussen hem en de Baron van Reede vanwege het feit dat zijn vader JWH gewerkt had bij de Baron van Nyvenheim en de Bentincks. Mogelijk had JWH die baantjes weer te danken aan het feit dat de adel uit het gebied van Cleve (waar zijn vrouw vandaan kwam) protestants was en ook allerlei contacten had met de dito Haagse adel. Hoe dan ook, Johann Th. heeft, waarschijnlijk  een aantal jaren als tuinman en als jager gediend bij deze baron op diens buiten bij ter Aa in Utrecht. Hij verstout zich om bij hem langs te gaan om hem een getuigschrift te vragen dat 'hem niet geweigerd wordt'  en er als volgt gaat uitzien:

                Verklare ik ondergetekende at den Persoon van J.T. Lemckert bij mij bekend is, van een goede Burger afkomst te zijn, en door tijds omstandigheden word gedrongen een dienst als Knegt te zoeken, wijders dat ..J. T. Lemckert, sedert Jaaren bij mij bekend is, voor een  Eerlijk trouw en vlijtig  Jongman zer goed van humeur. Kunnen dit met alle gegrondheyd van hem getuygen, is bij onderscheydene(n) gelegendheden  den dienst als Knegt bij mij heeft waargenomen, ook als jager, ten tijden dat hij nog bij zijne Moeder inwoonde, die wegens haar hoge Jaaren zijn zorgen en hulpen niet konde ontberen en dat hem ten gevolge van dien verhinderden, als ook de redelijke geg..dheyd zijner Moeder, zig bepaald in een dienst te begeven, dog ..het overlijden van gemelde Moeder .in voornamen zijn .....heb ik hem dit  getuyg,schrift niet kunnen weigeren ....ond op den huizen  Ter Aar en met mijn zegel voorzien.

..den 2 augustus 1818

                                                               Van Reede van Ter Aa

  • Inmiddels weten we dat de ondertekenaar Johan Pieter Christiaan Baron van Reede van Ter Aa moet zijn geweest. Deze was geboren in 1784 in Huize Quakkenburg, dat gebouwd was op de plaats waar in vorige eeuwen twee kastelen Ter Aa hadden gestaan. In 1818 was de baron nog ongehuwd. Zijn vader was in 1797 reeds overleden. Aangezien zijn moeder Christine Boomhof van Zeelst pas in 1823 zou overlijden ligt het voor de hand dat hij in 1818 samen met haar het huis bewoonde.

Met dit getuigschrift opzak (waarvan het origineel helaas verloren is gegaan) spoedt J.Th zich richting het Westen. Het is niet bekend of hij op dat moment al kennis heeft aan zijn bruid Sara Willemina van den Bergh die in Rijswijk is geboren maar - volgens hun huwelijksacte- vóór haar trouwen een tijdje in Den Haag heeft gewoond. Zij was een vrouw die eerder in 1816 in ongehuwde staat een zoontje had voortgebracht dat maar twee weken geleefd heeft. Op 24 februari 1819 trouwt Johann Th. met haar, ze is dan 27 jaar en weer in Rijswijk wonende. Zelf is Johann 29 en - naar een getuigenverklaring in januari 1819- woonachtig op Wateringen. Zij trouwen in Den Haag. Dit huwelijk vindt plaats in de Grote Kerk aldaar in een huwelijksplechtigheid met andere bruidsparen gezamenlijk.

In de acte van het burgerlijk huwelijk corrigeert J.Th en passant de overlijdensacte van zijn moeder waarin zij namelijk als weduwe van Herman Lemckert i.p.v. Johan Willem Hendrik wordt genoemd. Ook verklaart hij in zijn eigen huwelijksacte (kennelijk om formele redenen) niet op de hoogte te zijn van de laatste woon- en overlijdensplaats van zijn grootouders. Hiermee wordt zeer waarschijnlijk gedoeld op Grootvader Ernst Albrecht Lemker en grootmoeder Maria Schadenkirch uit Kaiserslautern. Het ontbreken van de vader in dit ouderlijk gezin heeft kennelijk niet bijgedragen aan de kennis over diens voorgeslacht. 

Op het moment van zijn huwelijk is Ernst Albrecht, zijn oudste broer, bekend als 'particulier' en woont in de Casuariestraat (wijk K 246) in Den Haag.  Deze en zijn vrouw/partner Ursula hebben dan al grote kinderen. Het is niet bekend of op dat moment Johanns  tweede broer Hermanus  nog leeft. Het is niet uitgesloten (omdat de gebruikelijke archieven niets meer van hen vermelden) dat hij in 1811 samen met zijn zusje Anna Magdalena en zijn moeder naar Duitsland gegaan is. We weten ook niet zoveel van broer drie, Carolus, die in ieder geval na 1825 niet meer leeft. Antje Oostenrijk (eigenlijk: Ostenreich), zijn vrouw, overlijdt namelijk op 4.5.1825 en dan is haar man al overleden. Of er op dat moment nog kinderen van die twee in leven zijn, is onzeker. Ze hebben drie meisjes gehad.

Broer Ludwig, de volgende,  is op dat moment nog als militair in Belgie of  net terug en is dan kantoorbediende doch zal in september 1821 in het Pest en Dolhuis te Den Haag overlijden. Omdat pestepidemiëen dan niet (meer) aan de orde zijn, zal hij waarschijnlijk aan het eind van zijn leven (42-43 jaar) een geestelijke beschadiging hebben opgelopen. Kort daarvoor (in 1820) was hij nog vader geworden van zijn jongste zoon, Johan Wilhelm Hendrik die in 1854 in Delft als kleermaker zal overlijden. Zijn vrouw Barentje heeft op dat moment drie kinderen die echter alle drie in het Diakoniehuis opgevoed worden. Aan de omstandigheden te oordelen, moet het gezin van Ludwig een betrekkelijk onmachtig gezin geweest zijn dat nauwelijks kans zag de eigen kinderen op te voeden.

Tot slot is er nog Johanns zusje Anna Magdalena van wie vermoed wordt (zie boven) dat ze -al of niet in gezelschap van haar broer Hermanus- in Duitsland woont. Kortom: op het moment dat het nakomertje Johann Th. zijn gezin sticht, zijn een aantal van zijn broers of overleden, of al in het laatste stadium van hun leven. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat in de Loosduinse Lemckert-familie over de eerste tak nooit anecdotes e.d. doorgegeven zijn, in ieder geval hebben deze  de latere geslachten niet gehaald. Het enige dat nog als een soort mare door de familie ging is dat de Lemckerts oorspronkelijk (Zuid)Duitse Joden waren. Nu waren er rappe zakenlui bij later maar nog nergens is bevestigd gevonden dat het inderdaad mensen van het Joodse ras betrof. In ieder geval zijn het dan Christenjoden geweest. Overigens zouden de ingevallen ogen en de neuzen van sommige Lemckerts niet misstaan in een Joods gezelschap.

 Verder met Johann Th. Het zit er eigenlijk een beetje in dat Johann Th., het nakomertje uit het gezin van JWH en Margaretha Herbst, nooit zoveel omgang met  zijn broers heeft gehad. De enige met wie mogelijk nog wat contacten zijn geweest is broer Ernst Albrecht, maatschappelijk gezien  waarschijnlijk de meest 'geslaagde' broer uit het gezin. Hij zou als barbier later nog in Kleef wonen (1828), koopman te Brussel zijn (1830) en aldaar op 30.01.1849 overlijden.

Het zit er niet in dat de broers elkaar veel gezien hebben  na 1828. Johann zal tijd noch geld gehad hebben om reisjes naar Duitsland of België te maken. Mogelijk is Ernst tussen zijn reizen nog wel eens bij zijn broer en zijn schoonzusje langs geweest. De waarschijnlijk geringe affectie vanwege het leeftijdsverschil uit zich ook in de vernoemingen:

Van de zoons van Johann Th. wordt er ook maar een naar een broer vernoemd (de jonggestorven Carel). De oudste zoon (JWH) wordt naar zijn opa, de derde (Willem Theodorus) gedeeltelijk naar zijn vader en gedeeltelijk naar de opa van moeders zijde vernoemd en de laatste zoon (Arie Antonie) (waarschijnlijk) ook naar familie van de moeder. Ook vernoemt Johann Th., ondanks dat hij bij drie dochters daarvoor de gelegenheid krijgt, zijn enige zusje (Anna Magdalena) niet.

Op 16 mei van het jaar 1819, 's avonds om 8 uur wordt in Rijswijk Johann's en Sara's oudste geboren die ze bij de burgerlijke stand laten inschrijven als Johann Willem Hendrik. De vernoeming is overduidelijk naar Johann's eigen vader, een man die hij nooit gekend heeft omdat deze immers aan een 'borstkwaal' overleden was op het moment dat hij zelf nog geen acht maanden oud was.

Dat inschrijven gebeurt pas twee dagen later op 18 mei, 's avonds om half negen voor de schout van Rijswijk, canton Voorburg. Getuigen zijn: Johannes Oostland, 49 jr, schoolonderwijzer en wonende wijk A 103 en Nicolaas van Viensen (?), oud 31, evenals Johann tuinder en evenals Johann wonende wijk A 102. De twee laatsten hebben dus in hetzelfde huis gewoond. Kennelijk zijn de buren de meest aangewezen persoon om getuige te zijn. We hopen nog eens uit te zoeken waar die huizen gestaan  hebben. Een medewerker van de Gemeente Rijswijk meldde ons dat deze huizen hebben gestaan op ongeveer de plek waar later het (inmiddels gesloopte) GEB-gebouw stond, vlak achter de kerk.

Bij de doopplechtigheid op zondag 6 juni aansluitend, wordt het kind door de moeder zelf ter doop aangeboden in een dienst waarin geen andere kinderen worden gedoopt. De doop vond telkens op zondag plaats in Rijswijk.

In een speciaal aan deze JWH gewijd hoofdstuk zullen wij het leven van deze dopeling, die later de geschiedenis van de Lemckerts in Loosduinen zal voortzetten, nog uitvoerig behandelen.

Het volgende kind van Johann Theodorus en Sara Willemina is Grietje, oftewel Margaretha Elisabeth en wordt ruim anderhalf jaar later geboren op 20.11.1820. Haar eerste naam is van de oma van moeders zijde, de tweede zou kunnen zijn van een zuster van die oma. Er bestaat een vermoeden dat deze namelijk nog een zuster had die Elisabeth heette. Dit is echter nog onzeker. Op het moment van Grietjes geboorte hebben haar  ouders Rijswijk al verlaten. Johann heeft zich inmiddels als winkelier te Rotterdam aan de Delftse Vaart gevestigd. Het is niet bekend wat voor soort winkel dit geweest is. Grietje, van wie niet bekend is of ze in de vlak om de hoek gelegen St. Laurenskerk gedoopt is (nakijken) zal in de nakomende geschiedenis als dienstbode te Den Haag bekend staan (1840-1844) en in 1880 als wasvrouw.Bij de volkstelling van 1840 woont ze, alleen, op het adres N 199. Op 13 februari 1908 zal ze, ruim 87 jaar oud, weer in Den Haag sterven. Naar alle waarschijnlijkheid was zij toen samen met haar (hieronder te noemen broer Arie Antonis die in 1913 overlijdt) de laatst overlevende uit dit gezin. Intussen zou ze nog op 14 augustus 1844, alles nog steeds in Den Haag, trouwen met Johannes Wilhelmus Kloos, een asman en zoon van een passementswerker. Deze sterft, na een huwelijk van vijfentwintig jaar, op 9 november 1869. Zij kregen nageslacht.

Lang heeft J.Th's  periode in Rotterdam niet geduurd want in september van 1823, bij de geboorte van zijn dochter Catharina Petronella woont hij in Wateringen. Over haar leven zou veel te zeggen zijn. Mogelijk doen we dat nog op een andere plaats. Als hij op 8 april 1827 zoon Arie Antonie in Wateringen moet worden aangegeven, moet J.Th. dit overlaten aan de vroedmeester, Albert van Elburg, omdat hij zelf 'ongesteld' is.

(wordt  vervolgd)